Alles verdwijnt

Hij weet niet waarom ze nog afspreken. Hij luistert half naar haar als ze hem vertelt wat ze de afgelopen week gedaan heeft. Hij verbaast zich er over er hoeveel iemand in één week kan doen en wat er allemaal mis kan gaan.

Het eten wordt geserveerd.
Net als Yana haar vork in de biefstuk wil prikken verdwijnt het stuk vlees.
Yana staart naar haar bord. De sla ligt er nog, net als de gebakken aardappeltjes.
‘Nee, hè,’ zegt ze. ‘Zag je dat? Ik had er zo’n zin in.’
‘Ik zag het.’
‘Ik zag het ook.’ zegt de oude man een tafeltje verderop. ‘Mooie jurk heb je aan trouwens.’
‘Heb ik weer,’ zegt Yana. ‘Dank je wel, zegt ze tegen de oude man. Deze vent hier geeft me bijna nooit meer complimentjes.’
‘Wat zonde.’ zegt de oude man. ‘Zo’n mooie vriendin.’
‘Ze is mijn ex,’ zegt hij. Zullen we een nieuwe biefstuk bestellen? We hebben een getuige.’
‘Ja, straks denken ze dat ik hem opgegeten heb. En wat maakt het uit dat ik je ex ben? Je kan een vrouw niet genoeg complimenteren.’
‘Inderdaad,’ zegt de oude man.
‘Bemoei je er niet mee,’ zegt hij terug.
‘Ok maar ik zou het goed maken als ik jou was, kijk nou wat een vrouw daar zit. Ik krijg het er warm van.’
‘Meneer heeft wel smaak,’ zegt Yana.
De oude man glimlacht.
Dan kijkt Yana somber. ‘Eigenlijk is het doodeng allemaal, Moker,’ zegt ze. Straks verdwijn jij opeens en zit ik alleen aan deze tafel.’
‘Dan heb je wel mijn biefstuk.’
‘En dan heb ik nog wel een plekje aan mijn tafel.’ zegt de oude man terwijl hij knipoogt naar Yana.
‘Nee bedankt, U bent te oud en U praat te veel, daar hou ik niet van.’
‘Dat ik oud ben of dat ik te veel praat?’
‘Allebei.’
‘Ach ja,’ zegt de man, ‘we hebben allemaal onze voorkeuren nietwaar? Ik waardeer je eerlijkheid.’
‘Ik moet wel eerlijk zijn nu,’ zegt Yana. Als degene waar ik tegen lieg zomaar verdwijnt voel ik me straks nog schuldig. En ik heb al genoeg aan mijn hoofd.’
‘Is er iets?’ vraagt het meisje van de bediening dat haar ronde doet.
‘Mijn biefstuk is verdwenen,’ zegt Yana.
‘Ja, ik zag het,’ zegt de oude man. ‘Zomaar foetsie, ze had er nog geen hap van genomen.’
‘Alweer? Ze is de tweede al deze maand. Ook een biefstuk gek genoeg. Ik zal een nieuwe brengen. Medium toch?’
‘Nee, doe nu maar zo bloedig mogelijk,’ zegt Yana.
‘Komt er aan,’ zegt het meisje dat er niet uit ziet alsof ze de gelukkigste dag van haar leven heeft.
‘Als dat meisje nu ook verdwijnt ga ik gillen,’ zegt Yana.
‘Welk meisje?’
Ze geeft hem een schop onder de tafel. Ze heeft hakken aan.
Hij wrijft langs zijn gekwetste scheenbeen
Ooit deden haar voeten andere dingen onder de tafel.
Ooit bleef vlees gewoon op een bord liggen.
De oude man staat op en loopt zonder een woord te zeggen weg.
‘Ik mocht hem wel. Hij gaf me een compliment.’
Hij glimlacht.
Als je eens zou weten hoe mooi je werkelijk bent.

(…)

 

 

Vermommer

Sector 333, een café.

De mannen in het café kijken naar Meta, zij kijkt naar hem en hij kijkt naar buiten. De passanten haasten zich door de miezer onderweg naar meer en beter. Er hangt iets in de lucht, een ondefinieerbare spanning. De ruiten van het café trillen door de explosie even verderop. Niemand reageert. Alleen de hond blaft maar die blaft de hele tijd al. De hond probeert hen te waarschuwen dat er iets niet klopt, iets dat niet incidenteel is zoals de explosies maar constant als een sluimerende infectie. Of misschien denkt hij dat en blaft de hond gewoon graag. Het beest legt zijn kop neer op de tas van zijn baas. Hij zou zijn hoofd erbij willen leggen, het is zwaar geworden van zijn zinloze gedachten. Mens en dier kijken elkaar een moment aan.
‘Waarom zien ze het niet?’ Vraagt hij aan niemand in het bijzonder.
‘Wat niet?’ Omdat ze tegenover hem zit en denkt dat hij het specifiek aan haar vroeg reageert ze.
‘Dat wat zich voor ons uitgeeft maar niet bestaat.’
‘Wat?’
‘Niets dat jij kunt begrijpen, liefje.’
Die trek rond haar mond. Zo scoort hij geen punten maar dat deert hem niet en dat frustreert haar. Vreemd, zo onzeker over alles terwijl haar fysieke vorm waar ze ook gaat verlangen opwekt. Zelfs met dat azijnhoofd er boven.
Liefje. Hij voelt er iets bij als hij haar zo noemt. Ach. Je kunt je aan iedereen hechten, zelfs aan je grootste vijand. Meta glimlacht vaag met het mondje dat als het zich opent in sommige opzichten zo vaardig kan zijn en in andere opzichten beter gesloten kan blijven. Ook zijn mond kan beter gesloten blijven maar het blijft zich openen en hij schrikt van wat er uitkomt. Een ander zou misschien zijn woorden zorgvuldiger kiezen maar zelfcensuur heeft hem geen steek verder gebracht dus hij heeft het afgeschaft. Ze houdt er niet van als hij de spot met haar drijft maar ze begrijpt niet dat hij niet anders kan.

Ze dragen allebei zwart die dag. Netjes ook. Op een crematie zouden ze niet opvallen. Hoewel. Alles wat zij draagt is strak en bedekkend behalve het flodderige hemdje dat zijn aandacht blijft trekken door wat het niet bedekt. Niks in haar presentatie berust op toeval, de controle is compleet. Haar opgestoken haar wordt bij elkaar gehouden door een pin waarmee ze zou kunnen doden. De zorgvuldig aangebrachte lippenstift is de enige make-up die ze draagt.

Er broeit iets bij Meta, zo lang hij haar kent al. Misschien maakt zij de hond onrustig. Misschien voelt hij het onvulbare gat op de plek waar iemand zou moeten zitten. Een mens. Die blik van haar ook, alsof ze steeds opnieuw moet besluiten wat ze met hem aanmoet en elke keer met dikke tegenzin tot dezelfde conclusie komt: dat ze hem vereert. Maar hij weet wat ze vereert, en hij is het niet.

De honger blijft blikken haar kant opsturen. Het perfect imperfecte gelaat, de welving[en] onder de dunne, kwetsbare stof. Ze minacht ze allemaal, kijkt geen moment terug. Ze doet haar best hem net zo te minachten, doet haar best zich van hem te bevrijden maar met elk woord dat hij zegt lijkt ze dieper verstrikt te raken. Hij weet dat als hij maar hard genoeg blijft hakken er een kans is dat ze haar diepgewortelde verzet staakt, al is het maar een moment, en ze eindelijk ervaart waar ze haar hele leven al naar verlangt (en wat ze meer dan alles vreest). Dat ze elk op hun eigen manier even genadeloos zijn zorgt voor balans.
‘We zijn een mooi stel, liefje,’ zegt hij.
‘Ja?’ Een glimlach. Even.
Ze wil dat hij haar liefheeft. Ze is naïef. Hij kan haar niet liefhebben, hij kan alleen maar straffen wat ze denkt te zijn maar niet is.
Neem het zwaard op, liefje, en stop niet met hakken tot je het in een hoek gedreven hebt. Waar het niet is, is er ruimte voor jou. En dan zal ik pas echt van je kunnen houden.

Pijnkamer – Roes

<nog editen>

Het is donker in het appartement. In de comfortabele stoel wacht hij, tuurt hij door de spleet in de gordijnen waar het balkon is. Hij wacht tot ze komt, tot ze er staat. Losjes gevangen in het gewaad, een gouden lichaam niet van deze wereld en een blik die zijn einde zal betekenen. Hij voelt het naderen. Zijn vlucht heeft hij gestaakt. Hij wacht.

Het gewicht van de schuld is in deze staat vederlicht. Hij verschuilt zich in één van zijn pijnkamers in het complex. Te krap natuurlijk, verstikkend krap. En dus het glas binnen handbereik, de zwarte fles bijna leeg alleen. Als de fles leeg is ontstaan er problemen. Zijn ritueel vraagt om de nectar. Zonder nectar verschijnt ze niet.

Aan een glimp heeft hij genoeg meestal. De eerste keer had hij de gordijnen wijd open gehad en het had hem bijna zijn leven gekost. De blik had hem geschroeid tot er alleen nog een broze kern was overgebleven. Als de laatste effecten van de nectar wegebben zucht hij. Het balkon is nog even verlaten als voor zijn roes. Ze is niet gekomen. Hij weet niet of hij teleurgesteld is of opgelucht. Hij weet wel meer niet meer.

Nog even en de nacht is begonnen en kan hij op pad gaan. Een nieuwe fles nectar regelen bij de Alcho is zijn missie maar eerst is het tijd voor een bezoekje aan de Verloren bar. Ludo is er misschien. Hopelijk niet. De vrouwen zijn er zeker, de broeierigheid, die prikkelende sfeer. Dat wat ooit zijn leven zin had gegeven en nu leeg is geworden. Hij volgt paden die al lang gebroken zijn maar hij kent ze. Het biedt troost aan het restant dat nog gehecht is aan de vormenwereld. En natuurlijk is het gehecht want het is zo duizelingwekkend mooi, geen vorm uitgezonderd.

Hij trekt zijn laarzen aan, zijn leren jas, nog net niet afgedragen. Hij prefereert een zo dreigend mogelijk uiterlijk als de straat opgaat want hij prefereert zijn rust. Al vermoedt hij dat ze hem nog met rust laten als hij zich zou overdekken met alles dat glimt en schittert en kostbaar is. Sinds zij hem verschroeid heeft met haar blik, verschroeit hij anderen met de zijne. Alsof er al niet genoeg in de brand staat in de stad die hem omringt.

Pijnkamer – de verborgen bar

<nog editen>

De vrouwen van de verloren bar zien er nooit hetzelfde uit als hij er een tijdje niet is geweest. De lokale mode is een onnavolgbaar iets. Net zo onnavolgbaar als de dragers ervan. korte rafelige rokjes deze keer, strakke bloesjes met lange wijde mouwen, opgestoken haar. Hun sigaretten hebben ze in korte pijpjes gestoken waar ze de rook door inhaleren. Wat ze roken is Lix, het produceert een milde euforie. Ze hangen op de sofa’s. Blikken een mengeling van verveeldheid en af en toe een zweem interesse. Hij trapt niet meer in die schijnvertoning, er zijn hele andere processen gaande. Hij blijft kijken en glimlacht of grimast of iets. Hoofden bewegen zich traag in zijn richting als hij de ruimte verder in loopt. Hij kucht door de zware rooklucht die die de ruimte vult.

Hij vindt Ludo tussen twee jonge vrouwen. Ze leunen opzichtig tegen hem aan. Hij heeft een arm over hun schouders geslagen en kijkt hem even spottend aan als altijd. Deze vrouwen kijken zoals alle vrouwen kijken in de bar. Schijnbaar half aanwezig en heel verborgen heel geïnteresseerd in alles.

De meesten de adem bijna ingehouden, zich schrap zettend voor een nieuwe teleurstelling, een nieuwe zwakte in de beoogde kandidaat. Zij had al zijn zwaktes er één voor één al uitgebrand. Misschien zou hij haar dankbaar moeten zijn.

Dit was één van de arena’s geweest waar hij zich had ingespannen om schaarste in overvloed om te zetten tot hij verzopen was in de overvloed. Handenvol aan aandacht en gewillige lichamen. De juiste aanwezigheid en de juiste woorden op het juiste moment en de dijen openden zich vroeg of laat wel.

‘Vod! Hoe is het nou? Je ziet er wat opgejaagd uit en die schram op je gezicht?’

‘Een nar.’

‘Ah! Is ie dood?’

‘Weet ik niet.’

Ludo richt zich naar de vrouwen. ‘Dit, mijn lieve schatjes, is Vod. Vod is een heel gevaarlijk iemand, ik zou hem niet uitdagen.’

De vrouwen bestuderen hem, de interesse aangewakkerd door zijn wat twijfelachtige status.

Dit zijn de mooie Anna en Chronis. Ze logeren bij mij in de villa en ze zijn bij elkaar opgeteld net zo oud als ik.

Hij schudt twee slappe handjes.

‘Ik ga wat halen bij de bar, jullie nog wat?’

Een bescheiden collectie nee schuddende hoofden. Ze zien er verzadigd uit. Vol van zichzelf. De donkere heeft wel wat. Ze kijken elkaar een lang moment aan. Chronis. Hij is half benieuwd hoe ze echt heet.

Hij loopt naar de bar en passeert een paar narren. Ze staan niet in de weg gelukkig, zitten vast in één of ander wild verhaal, lachen als debielen.

Dan beseft hij hoe chagrijnig hij eigenlijk is. Misschien was dit een nutteloze tussenstop. Had hij in één ruk door moeten gaan naar de Alcho. Maar ja, alsof hij ooit zijn agenda bepaalt. Als een marionet zwiept hij alle kanten op. De onzichtbare hand heeft hem deze bar in getrokken. Het zal wel duidelijk worden waarom hij er is.

En anders maar niet.

Er is drank. Hij bestelt een glas “blonde pijn” bier. Elke slok een grimas. Het gaat net. De “hoogblonde” variant is helemaal niet te harden.

Hij ploft neer op één van de sofa’s. Een lage tafel scheidt hem van het trio.

Ludo glimlacht. ‘Geniet je ook zo van de onrust? Gelukkig hebben we allemaal nog te eten. Anders gaat het pas echt goed mis.’

‘Ik vind het niks.’ zegt Anna. ‘Het is grimmig. Het maakt me bang. Ik ga niet meer alleen de straat op.’

Chronis trekt een moeilijk gezicht. ‘Alsof ik je kan beschermen als we samen gaan. Ik ren gewoon weg hoor.’

‘Nou dank je Kroontje,’ zegt Anna. ‘Goed dat ik weet wat ik aan je heb. Al kom je niet ver op die hakjes van je’

‘Die schop ik wel uit.’

‘Weet je wel hoeveel ik daar voor betááld heb, dames,’ zegt Ludo.

‘Die hakken zijn waardeloos zonder ons. Wij zijn onbetaalbaar,’ zegt Anna.

‘Nou, vooruit. Waar hebben we het eigenlijk over.’

‘Gaan jullie maar even dansen, schatjes. Dan kunnen Vod en ik even bijpraten, hm? Jullie praten mijn vriend nog in slaap.’

‘Ga zelf dansen,’ zegt Anna.

‘Kom, Anna,’ zegt Kronis. Ik zag net iets lekkers voorbij komen. Laten we gaan kennismaken en deze oude mannen met rust laten. Dat schijnen ze te willen.’

‘Hm, ik zag ook iets appetijtelijks vanuit mijn ooghoeken, hopen dat ie wat te melden heeft.’ Anne maakt zich los uit de omhelzing van Ludo. Tot zo dan.’

Ludo staart zijn liefjes na. ‘En het loopt overal rond al dat leuks.’

‘En het eindigt in jouw villa, je blijft me verbazen.’

‘Natuurlijk eindigen ze in mijn villa. De beste remedie tegen de ontstellende saaiheid die ook overal rondloopt. Ik zorg wel dat ik me vermaak en met mij mijn gasten. Goed, om eerlijk te zijn. Kronis negeert me vooral maar Anne is zeer toegeefs. De conditie die dat kind heeft ook. Die hoeft echt geen Lix te roken. En jij?’

‘Ik rook niks. Waarom effectjes toevoegen in een droom die je met elke gedachte al beïnvloed?’

Oord – 1: aankomst

Zijn ogen hebben een moment nodig om te wennen aan het halfduister. Hij bevindt zich in een soort bol met spleetvormige openingen waar een grauw licht doorheen valt. Tegenover hem, naar hem toegekeerd, staat een lege zetel van een donker materiaal, bijna onzichtbaar. Er zit niemand op. Hij zit zelf op een identieke zetel van een wit materiaal, heel even gloeit het op met een wit licht, zo fel dat hij zijn ogen met zijn arm moet beschermen. Dan is het weer donker. Er hangt een drukkende stilte in de ruimte. Hij staat op, het is alsof hij een eeuwigheid niet bewogen heeft, zijn ledematen zijn stram. Vanaf zijn voeten tot zijn keel is een soort membraan over zijn lijf gespannen, zilverkleurig. Het lijkt een beschermlaag, past hem als een tweede huid en laat hem vrij in zijn bewegingen. Alleen zijn hoofd en handen zijn onbedekt. Hij inspecteert de ruimte. De bovenkant van de bol is open. Het perfect ronde gat heeft dezelfde omtrek als de vloer. De spleten reiken net niet tot de cirkel die het gat omringt. Hij klimt in één van de spleten en kijkt naar buiten. De afgrond is duizelingwekkend. Hij bevindt zich op de top van een toren die ver uitsteekt boven de gebouwen onder hem. Het is onmogelijk om verder dan een paar blokken te zien. De gebouwen vervagen al snel tot wazige contouren en dan niets meer. Er hangt een paarsige nevel over dat wat een stad zou kunnen zijn slechts af en toe doorbroken door lichtpuntjes, niet meer dan een zwak geflikker in een zee van de duisternis. Hij onderzoekt de binnenruimte. Er is geen uitgang. De bol is een getraliede kooi. Hij heeft opeens moeite met het bewaren van zijn evenwicht alsof hij gedrogeerd is. Hij pakt de leuning van de zwarte zetel vast. Er is iets in het zitvlak gegraveerd met gouden letters.

Vind me.

Hij kan zijn blik niet van de woorden afhouden. De ander moet ze geschreven hebben. Hij heeft geen enkele concrete herinnering aan haar, slechts vage beelden, ver weg: de contouren van een gezicht maar bovenal het gevoel, een onbeschrijflijk gevoel. De Eerste.

Vind me.

Er spreekt een bepaalde urgentie uit de woorden. Alsof hij maar weinig tijd is heeft om de ander te vinden. Is de haast waarmee de letters in de zetel gekerfd zijn die hij afleest aan de slordige letters? Hij tast de omgeving af met zijn aandacht die verder reikt dan de grenzen van zijn lijf en zijn onmiddellijke omgeving, wat vangt hij op? Het antwoord volgt vrijwel onmiddellijk: iets reageert. Het oord aan zijn voeten openbaart zich in impressies, eerst subtiel, daarna krachtiger. Duister, grillig, het laat zich niet zo makkelijk vangen. Hij voelt de invloed van het oord langs de toren omhoog kruipen en hem zachtjes omvatten in een omhelzing, niet meer dan een vage tinteling. Het nodigt hem uit, trekt speels aan hem, is nieuwsgierig naar de nieuwkomer. Het is tijd om af te dalen. Hij kijkt nog één keer omhoog. De lucht is van een eenvormige grijsheid. Een soort leegte. Hij strekt zijn armen de lucht in en reikt uit, wil voorbij de de sluier gaan, ver weg. Ergens wacht de ander, zijn baken. De afwezigheid steekt. Hij is alleen.

Geduld.

Geduld?
De kreet wringt zich los uit zijn keel en wordt verzwolgen door de stilte. Er is geen tijd. Elke cel in zijn lichaam is wakker, paraat. Hij is gereed om te gaan, om te vinden. Een kort en diep gerommel volgt zijn intentie, de toren trilt. De vloer tussen de zetels opent zich precies in het midden: een gat gekarteld als een wond. Treden wentelen spiraalsgewijs de diepte in. Zijn voeten zetten als vanzelf de afdaling in. Elke stap op het versleten steen klinkt hol (is het steen?). Hij voelt de muren drukken, snakt naar ruimte. Hij is niet langer welkom en neemt meerdere treden tegelijk tot hij de begane grond bereikt. Door de opening in de wand, ziet hij de straatstenen. Hij haalt diep adem en stapt onder de boog door, een onzichtbare grens over. De opening sluit zich achter hem, de naden worden smaller en smaller tot er alleen nog maar muur is, een muur die niet wijkt onder de druk van zijn handen. Er is geen weg meer terug. Hij is de zevende, de laatste.

Oord – 2: ontvangst

Hij wordt opgewacht. Een bal rolt tot aan zijn voeten en ligt stil. Het is een gouden bal die gloeit in het halfduister. Het kleine meisje kijkt naar hem, naar de bal en weer naar hem. Hij pakt de bal op zonder zijn ogen van het kind af te houden, de bal voelt warm in de hand.
‘Ze wachten op je in de kathedraal, niet ver van hier,’ zegt het meisje. Ze wijst een kant op.
‘Ik zoek maar één iemand, is zij één van hen?’
Ze schudt haar hoofd. ‘Ze kunnen je helpen.’
Kunnen ja, maar willen? Hij fronst. Die stem in zijn hoofd. Waar kwam die gedachte vandaan?
De bal wordt door een onzichtbare kracht uit zijn hand getrokken en schiet terug in de hand van het kind. Ze laat het stuiteren en lijkt hem vergeten, opgegaan in haar spel.
‘Heb je iemand uit de toren zien komen?’
Ze knikt, haar blik ernstig.
‘Weet je wie ik zoek?’
Ze knikt opnieuw.
‘Vertel me waar ze is.’
Heel even ziet hij iets in de ogen van het kind dat hij daar nooit had mogen zien.
‘Deze keer is… anders.’ De lippen van het meisje bewegen maar de stem komt van alle kanten . ‘Er is nog maar weinig tijd.’
‘Deze keer?’ Haar woorden maken hem nerveus.
De bal begint feller te gloeien.
‘Waarom vertel je me dit?’
Geen antwoord.
Ze gooit de bal van de ene naar de andere hand en weer terug tot hij alleen nog een waas van licht ziet. De beweging hypnotiseert hem. Hij herinnert zich een gouden bal aan de hemel en warmte, echte warmte.
‘Antwoord me.’
Het meisje dat geen meisje is glimlacht en is verdwenen.
Deze keer is anders? Wat is er anders? Wat zal hij doen? Hij kijkt in de richting waar het meisje naar wees. Twee torens steken als bakens boven de daken van de omringende huizen uit.

Oord 3: scherf

De straten zijn verlaten en achter de gesloten luiken van de appartementen is het stil. De gebarsten muren niet veel meer dan een waas, alsof ze elk moment kunnen oplossen. De stenen onder zijn voeten dragen hem moeiteloos. Het is net alsof hij een uitgestrekt veld van leegte doorkruist dat zich voordoet als een labyrint waarin elke muur een illusie is. Toch geeft geen enkele afscheiding mee, hoe hard hij er ook tegen drukt. Elke glimp van de torens die hij opvangt boven de appartementen uit bepaalt zijn richting. Hij kan niet anders dan het kronkelig pad volgen dat ontstaat: hij speurt vergeefs naar een vonk van leven. Na een onnavolgbare route van achterafstraatjes, bogen, kleine bruggen en verscholen pleintjes bereikt hij een binnenplaats waar het opvallend licht is.

Vier bomen met dikke stammen en een overvloed aan bladeren omringen een fontein. De vitale kleur van de bladeren is een welkome afwisseling midden in de grauwheid. Het klaterende water wekt zijn dorst op. Hij drinkt tot hij niet meer kan. Een schittering in het water trekt zijn aandacht. Hij vist een gekartelde driehoek van een glimmend materiaal uit het water. Er bungelt een zilverkleurige ketting aan dat door een gat in de scherf is geregen.
Hij bestudeert het reflecterende materiaal in zijn handpalm. Hij traceert de randen met zijn wijsvinger, het materiaal is zo bewerkt dat het onscherp en glad aanvoelt. Zonder precies te weten waarom hangt hij de ketting om zijn hals. De scherf is koel, hij voelt het door het dunne vlies heen. Hij zit een poosje op één van de stenen bankjes die de fontein omringen. Het licht neemt langzaam af. Hij herinnert zich de woorden van het kind dat geen kind is en voelt de urgentie weer die hem in beweging zet. Als hij het pleintje wil verlaten ziet hij iets vallen vanuit zijn ooghoek. Een blad? Onmogelijk. De bomen staan in volle bloei. Dan ziet hij de twee torens.
Verder. Alsmaar verder.

Oord – 4: ontmoetingen

Het bouwwerk dat het verlaten plein domineert is massief. Het heeft geen relatie met de omgeving, alsof het ergens anders vandaan gehaald is naar deze plek gebracht. Het straalt een onwrikbare kracht uit, een contrast met de appartementen die elk moment lijken op te kunnen lossen, zo ijl. In de muren ziet hij vaag een wirwar van witte lijnen lopen waar af en toe een zacht pulserend licht uitstraalt.

Een deur, niet meer dan een uitsparing in de enorme toegangspoort staat op een kier. Boven de poort schijnt licht uit gekleurde ronde ramen in rode en paarse tinten. Hij duwt de deur open en stapt de schemering binnen. Hij voelt een tintelende sensatie als hij over de drempel stapt.
Enkele eilandjes met kaarsen produceren het enige licht in de ruimte die gevuld wordt door een woud aan pilaren. Een oude man met een doorgroefd gelaat wacht hem op bij de ingang. Hij draagt een wit gewaad van versleten stof.
‘Welkom.’ De stem van de man is krachtig en galmt door de ruimte. ‘En wees gerust, je bent veilig hier.’ De man hoest, of lacht. Zijn lange vingers bewegen onrustig, alsof er onzichtbare draden aan vast zitten die er aan trekken.
‘Je bent niet van hier. Je bent een buitenstaander. Ik weet waar je vandaan komt, broeder. Ik wil je niet demotiveren maar het is zinloos.’
‘Dan weet je meer dan ik. Wat is zinloos?’
De man gunt hem een droeve glimlach.
‘Wat niet?’
‘Een klein meisje zei dat je me kan helpen. Jij en nog iemand.’
‘Ik denk dat ik weet over wie je het hebt. Het kind is van een andere orde, broeder, anders dan jij en ik is ze. Ze tart elke wet die ons als slaven bindt in deze verloren uithoek waar het licht nog nauwelijks doordringt. Vertrouw haar niet.’ Een droge lach. ‘Vertrouw niemand.’
‘Ik zoek iemand.’
‘Wie niet.’
Hij negeert de hoon. ‘Het kind zei dat ik hierheen moest komen.’
‘Wat zei ik nou net?’
‘Ik moet haar vinden, het heeft haast, help je me of niet?’
‘Rustig, broeder, ik zal je helpen zo goed ik kan.’
‘Wat is je naam?’
De man glimlacht vreugdeloos. ‘Ik heb geen flauw idee vriend maar door sommigen word ik de Hoeder genoemd.’
‘Hoeder van wie?’
Er flikkert iets in zijn ogen. ‘Je stelt de voor de hand liggende vraag broeder. Ik kan je een antwoord geven maar heb je daar iets aan? Het vult je hoofd maar is het leeg niet beter af? Hij laat een stilte vallen. ‘Nu goed. Ik ben de Hoeder van dit toevluchtsoord. Men komt hier om te herstellen van opgedane wonden. Niemand komt hier binnen zonder mijn toestemming.’
‘Ik ben niet gewond.’
‘Sommige wonden zijn onzichtbaar mijn vriend, ze sluimeren binnen in je, niemand die hier komt is onaangetast.’

Een beweging trekt zijn aandacht. Op een vloersteen zit een klein wezentje met een lange staart en glanzende kraaloogjes.
‘Kan het nou nooit stil zijn?’ roept iemand vanuit de schaduwen. De stem striemt hem en hij zet onwillekeurig een stap naar achter. Het reptiel schiet weg in een spleet tussen de vloerstenen en is verdwenen. Een meisje komt te voorschijn van achter één van de pilaren. De helft van haar bleke gezicht is getatoeëerd met blauwe inkt in de vorm van het kleine wezentje. De staart eindigt boven haar rechter wenkbrauw. Ze heeft een knap maar gehavend gezicht, het is geschramd en beurs alsof iets of iemand haar toegetakeld heeft. Ze kijkt hem aan alsof ze hem kent en vertrouwd met hem is.
‘Jij? Wat doe jij hier? Heb je nog niet genoeg gehad? Je kan me hier niets aandoen.’ Ze wijst naar de Hoeder. ‘Hij daar zal het niet toelaten.’
Hij heeft geen idee waar ze het over heeft.
Het meisje interpreteert zijn stilte als een antwoord. Tranen lopen langs haar wangen. ‘Is dit wat je wilde? Ik voel het in me. Het tast me aan. Ik wilde je alleen maar helpen. En jij-‘ Haar stem breekt. ‘Je ziet er anders uit, je bent helder nu maar het is te laat. Het is voorbij. Je kunt niets voor me doen en ik niet voor jou. Laat me met rust. Verdwijn.’
‘Wat bedoel je? Ik weet niet eens wie je bent.’
‘Ah, je bent het vergeten, natuurlijk, geniet er maar van zo lang het duurt. Als je herinnert wat je gedaan hebt dan voegt mijn oordeel niets meer toe. Dan zul je zelf het oordeel vellen, als je nog iets van een geweten over hebt.’ Ze wendt zich tot de Hoeder. ‘Hij was het.’
‘Weet je het zeker?’
Ze knikt. ‘Hij was aangetast, waarschijnlijk door Allure.’
‘Dan is hij onschuldig.’
‘Onschuldig? Niemand is onschuldig. Hij was niet sterk genoeg om haar te weerstaan. Hij heeft gefaald.’
Het meisje begint hem te irriteren.
‘Je vergist je, wat ik al zei, ik heb je nooit eerder gezien, ik ben hier net.’
‘”Je vergist je”’ze imiteert hem en lacht spottend. ‘Ik vergis me nooit.’
‘Kijk eens goed naar hem, weet je zeker dat hij het was?’ Vraagt de Hoeder.
‘Ik weet het zeker.’
‘Rustig, kindje, rustig.’
‘Ik ben niet rustig.’
‘Dan juist.’
Hij glimlacht zonder te weten waarom.
‘Waarom?’ vraagt ze. ‘Waarom heb je je niet verzet? Na alles wat ik voor je gedaan heb?’ Ze pauzeert even. ‘Hoewel ik niets van je terugverlangde, toch..’
Hij begint zich schuldig te voelen om iets dat hij niet gedaan kan hebben.
Deze keer is anders had het kind gezegd.
‘Het geeft niet,’ zegt het meisje. ‘Niemand is sterk genoeg,’ het verwijt is uit haar stem verdwenen.
Er valt een ongemakkelijke stilte.
De Hoeder lijkt in gedachten verzonken.
Het meisje blijft hem onverstoorbaar aankijken.
‘Wat wil je van me? Mijn excuses?’
‘Alsof ik daar wat aan heb. Laat me maar met rust, het is nu toch al te laat.’ Ze gaat op een bankje zitten met haar hoofd in haar handen.
De Hoeder gebaart hem te volgen en leidt hem naar de uitgang. ‘Ze is in de war nieuwkomer.’
‘Wie is zij?’
‘Het doet er niet toe. Ze kwam kort geleden de drempel over kruipen, ze was er slecht aan toe. Ik kon haar net op tijd naar binnen trekken.’
Hij wacht tevergeefs op een nadere uitleg.
‘Het spijt me, meer kan ik je niet vertellen’
Net op tijd? Wat had het meisje bedreigd?
‘Luister, volgens mij kun je maar beter gaan,’ zegt de Hoeder.
‘Ik zoek iemand.’
‘Ik weet wat je zoekt.’
‘Als dat zo is, help me dan een eindje op weg.’
De man glimlacht zwakjes. ‘De Eerste kan je verder helpen. De rest?’ Hij maakt een wegwerp gebaar.
‘Waar vind ik de Eerste?’
‘Ik weet niet waar ze is maar vraag het Gullaard. Hij weet dingen.’
‘Gullaard? Wie is dat? Waar kan ik hem vinden?’
‘Hij vind jou, geloof me, hij vind jou. Je herkent hem meteen: hij zal je een vraag stellen. Hij stelt altijd dezelfde vraag.’
De ontmoeting is over. De man duwt hem praktisch naar buiten. Als hij halverwege het plein is roept de Hoeder hem na. ‘En vermijdt het Archief.’
De deur sluit niet helemaal, bloedrood licht valt door de kier naar buiten. Hij zal ze weerzien, weet hij. Hoeder, het meisje en de ander, verscholen achter de pilaar.

Oord – 5: wens

Als hij de weg bijna overgestoken is komt een straatlamp sputterend tot leven. Hij had de bewegwijzering bijna gemist. Versleten gouden letters op een zwarte achtergrond weerkaatsen het licht. Hij leest de bestemmingen; kathedraal, wachttoren, bazaar, citadel, tempel en nog een paar. Eén bordje is blanco. Als hij goed kijkt ziet hij heel vaag nog de afdruk van het woord “archief”. De waarschuwing van de Hoeder heeft hem nieuwsgierig gemaakt naar deze locatie. Hij heeft nog geen stap in de richting van het archief gezet of de grond onder zijn voeten begint te trillen. Hij hoort een diep gerommel dat snel aanzwelt en wegebt. Hij loopt voorzichtig verder, het trillen herhaalt zich niet. Hij kan de grond onder zijn voeten nog vertrouwen. Hij loopt over een laan met aan weerszijden lage bankjes en bomen met smeulende rode bladeren. Hij fluit een deuntje om de stilte te verdrijven. Hij denkt aan het in pijn vertrokken gezicht van het meisje en vraagt zich af wat haar is overkomen.
‘Hmm,’ bromt iemand. Zijn weg geblokkeerd door een lange gestalte met wilde haren die blijkbaar achter een boom heeft staan wachten op zijn komst of net als het kind uit het niets is verschenen. De vreemdeling met een kop die iets weg heeft van dat van een roofdier buigt zich bijna gretig over hem heen. ‘Wat is je diepste wens?’ vraagt hij op een vreemde toon.

Hij stelt altijd dezelfde vraag.

Wat is zijn diepste wens? Weten waar de Eerste is? Hij heeft zoveel wensen. Hij wil weten wat het meisje met de tatoeage is overkomen en waarom ze hem beschuldigde, waarom het kind met de gouden bal hem opwachtte, waar hij is. Als de man echt elke wens kan vervullen laat het dan de juiste zijn.
‘Je twijfelt,’ zegt de man. ‘Laat me een suggestie doen, niks bijzonders, gewoon iets om te overwegen: wil je hier niet weg misschien?’
Die stem. Zacht, dwingend en nog iets anders, iets dat ondefinieerbaar is.
‘Ik ben er net’.
‘Ja, hmm’ De man wrijft langs zijn kin. ‘Wat kom je doen dan? Zo prettig is het hier niet, moet je weten, ik zou het volkomen begrijpen als je weg wil, oh ja’.
‘Als ik gedaan heb waarvoor ik gekomen ben, ja, maar nu nog niet.’
‘Waar ben je voor gekomen dan, hm?’
‘Dat probeer ik uit te vinden.’
‘Is er niet iets anders dat je wenst dan? Een voorlopige wens? Een zoethoudertje? Tot je weet wat je echt wil? Ik kan behulpzaam zijn op zoveel andere manieren, dat kan ik.’ Gullaard grijnst.
Hij schudt zijn hoofd. ‘Ik wil er nog even over nadenken.’
‘Weet je het héél zeker, weet je wel wat voor aanbod je afslaat? Hulp is schaars in deze contreien, iedereen is nogal op zichzelf. Laat me je helpen. Alsjeblieft? Nee? Zoek je geen rust? Afleiding? Gezelschap? Bijzondere ervaringen? Ik ken alle locaties die er toe doen, plekken die je zou kunnen missen zonder mijn hulp. Ik ken de meest invloedrijke inwoners, weet wie je kunt vertrouwen en wie je moet vermijden. Welke behoefte je ook hebt, ik ben of ken iemand die er in voorziet.’
De man is wel héél behulpzaam. ‘Wat wil je in ruil?’
De man kijkt schuin de hoogte in. ‘Helemaal niets, eh, voorlopig.’
‘Voorlopig? Dus je wil wel iets.’
‘Begrijp me niet verkeerd, ik bied je mijn hulp in principe voor niets aan maar er is wel een klein iets waarmee je zou kunnen helpen, ik denk tenminste dat jij dat kunt, de aangewezene bent zelfs, oh ja.’
‘En dat is?’
Het gezicht van de man loopt rood aan en hij haalt diep adem. ‘Ik wil hier WEG.’
Het is even stil.
‘Excuseer, ik liet me gaan,’ zegt de man. Waar zijn mijn manieren? Gullaard is de naam.’ Hij buigt nog iets meer voorover. ‘En jij?’
‘Ik heb geen naam.’
‘Ach, hoe onfortuinlijk, je vindt er vast één. Weet je wat? Ik noem je “Variant”. Wat zeg je er van?’
‘Variant van wat?’
‘Dat bedoel ik niet, gewoon, Variant. Klaar.’ De man begint overduidelijk zijn humeur te verliezen. Wat je er van vindt is mij om het even. Je diepste wens, weet je het al?’
Hij kijkt Gullaard strak aan. ‘Ik wil alleen zijn, dat kan ik zonder jouw hulp vrij aardig.’
Het gezicht dat zich op nog maar een paar centimeter van het zijne bevindt betrekt.
‘En als ik er achter ben wat mijn “diepste” wens is dan laat ik het je weten.’
‘Ja, hmm, goed dan, excuseer. Je komt me vast weer tegen en anders ben ik te vinden in de bazaar. Dus mocht je je bedenken; er is niemand die zoveel kennis heeft van dit VERDOMDE OORD heeft als ik. Ik denk dat we elkaar héél goed kunnen helpen.’
‘Ik hou het in gedachten.’
‘Dank. En nog iets. Ga niet naar het archief, Variant.’
De Gullaard maakt zich uit de voeten, nog iets meer voorovergebogen dan eerst en verdwijnt in een zijstraat. De man is nog niet de hoek om geslagen of hij hoort hem razen en tieren als een waanzinnige.
Is de man te vertrouwen?
Waarschijnlijk niet.
Hij loopt snel door.

Oord – 6: archief (I)

De schimmen houden hem gezelschap. Hij heeft niet om het gezelschap gevraagd maar daar trekken ze zich niets van aan. Soms zitten ze bewegingsloos op een bankje en kijken naar hem. Soms flaneren ze over het steen voor hem uit, bollen mantels op zwiept haar in onzichtbare wind, elk gezicht een collectie vlakken en schaduwen. Hij opent onwillekeurig zijn armen als een gestalte recht op hem afkomt en hem wil omarmen in een intens moment. Ze lost op voor ze bij hem is. Hij richt zijn blik op de grond voor hem, op de kleine explosies van stof als hij zijn voeten neerzet. Aan de laan lijkt geen einde te komen. Hij vertrouwt er maar op dat hij nog steeds in de goede richting loopt. De stilte is drukkend, anders dan in de toren waar elke trede tijdens de afdaling een kleine opluchting was, het is alsof hij klimt, zijn benen voelen zwaar aan. Met elke stap die hij zet wordt de druk intenser tot het bijna niet uit te houden is. Iets drijft hem verder, de wetenschap dat dit de kortste route is naar een onvermijdelijke ervaring die op hem wacht, de kortste route naar de hereniging. De stammen van de bomen zijn bleek, de bladeren gezwollen, de rode gloed heeft iets giftigs, doordringt hem.

De laan eindigt voor een opvallend onopvallend gebouw. Het is rechthoekig, grijs, geen ornamenten of versieringen. Het enige dat in het oog springt zijn de twee pilaren die de ingang flankeren. De ene pilaar lijkt een tint lichter dan de andere maar het verschil is zo subtiel dat hij zich kan vergissen. Een brede trap met een handvol treden leidt naar de deur. Een klink of grip ontbreekt. Hij ziet geen mogelijkheid de deur te openen. Hij besluit om het gebouw te lopen in de hoop een andere ingang te vinden. Hij slaat de hoek om en ziet een rechthoekige poort met een donkergeel bord aan de bovenkant bevestigd. “Archief” staat er op in helwitte letters die af en toe uit en aan knipperen. Voorbij de poort verdwijnt een trap de grond in. Er staat een laag hekje met scherp uitziende punten om de ingang. Voor de trap blijft hij staan. In de tunnel brandt geen licht. Hij omklemt de scherf op zijn borst. Het licht van het bord valt weg, als het aanspringt ziet hij een klein wezentje wegschieten over één van de treden. Hij weet opeens hoe het heet. Een herinnering van lang geleden. Het bezorgt hem een ongemakkelijk gevoel.
‘Hé!’ roept een stem achter hem. ‘Wacht even.’
Hij herkent haar. Ze ziet er anders uit; de tatoeage ontbreekt, haar gezicht is ongeschonden, ze oogt vitaal. Ze staat zo dichtbij hem dat hij haar kan vastgrijpen.
‘Je bent nieuw hier hè?’ zegt ze. Haar glimlach is ontwapenend.
‘Salamander.’ De naam is aan zijn lippen ontsnapt voor hij er erg in heeft.
Ze trekt haar wenkbrauwen op. ‘Wat zeg je?’
Ze verwijt hem niets, herkent hem niet of doet alsof.
Het meisje schiet in de lach. ‘Is alles wel goed met je? Je kijkt me zo vreemd aan. Soms is de overgang lastig voor een variant. Hoe noemde je me nou? Salamander? Wat leuk, iemand zomaar een naam geven.’ Haar blik schiet naar de hanger. Dan noem ik jou “Scherf,”ok? Slaat ook nergens op.’

Scherf.
‘Ach ja, niemand heeft hier echt een naam, vergeten of zo, dus van mijn part noem je mij “Salamander” en ik jou “Scherf” maar het getuigt niet echt van smaak, toch? We kunnen vast nog iets beters bedenken.’
‘Ben je genezen?’ vraagt hij. ‘Waar is je tatoeage?’
‘Tatoeage?’ Ze giechelt en pakt zijn hand. Haar handpalm is warm en droog. ‘Kom, ik wil je wat laten zien’. Ze trekt hem bij de ingang van het Archief vandaan. Ze laat hem los maar haar charme trekt hem door straat na straat voor hij er erg in heeft.

‘Dit is de cirkelrivier, mooi hè?’ Ze staan op een brug boven ruisend water. Aan één kant van het water loopt een smal pad. Een lantaarn schijnt met een gouden licht vlak voor de bocht. Het is de enige lichtbron in de omgeving. De kade en huizen die het water flankeren zien er uit alsof ze elk moment op kunnen lossen, net als de appartementen vlakbij de toren.
‘Waarom zien die gebouwen er zo wazig uit?
‘Alleen gebouwen die gebruikt of bewoond worden behouden hebben substantie. De rest vervaagt langzaam of wordt ineens vervangen door iets nieuws. Nieuwe gebouwen kun je kiezen en tot je thuis maken. Of andersom.
‘Andersom?’
De villa die ik bewoon heeft mij gekozen.’
‘Hoe?’
Ze kijkt hem voor het eerst recht aan. ‘Door me te verleiden.’
Ergens naast de rivier lacht er iemand, schel en aanstekelijk.
Een ander, daar vlakbij, buldert er over heen met een enorm volume. Dan is het abrupt stil. Hij tuurt en tuurt tot hij ze gevonden heeft. Ze zitten roerloos naast het water op een bankje. Hij ziet vaag gelaatstrekken, een bepaalde onbewogenheid.
‘Oh, zij weer.’ Sala zucht. ‘Kom, de villa is niet ver meer. Het is er comfortabel, we zullen niet gestoord worden. Wedden dat ik sneller ben dan jij?’ Ze sprint vooruit, is verrassend snel maar hij haalt haar in, wil haar arm pakken maar ze ontwijkt hem moeiteloos, lacht hem uit.

De villa ligt afgelegen en beschut in een bosachtig gebied. Het gebouw wordt omringd door een verwilderde tuin met gras dat tot zijn knieën reikt. Een smal tegelpad leidt naar een deur aan de zijkant van het gebouw. Ze blijft staan aan de bomenrand die de grens van de tuin markeert. Het groen wist alle sporen van de stad uit.
‘De enige ingang. De begroeiing aan de voorkant is ondoordringbaar.’
Het valt hem niet voor de eerste keer op dat Salamander op de één of andere manier echter lijkt dan de omgeving. Ze gloeit bijna in de schaduw van het bladerdak.
‘Heb jij ook zo’n dorst?’
‘Een beetje.’